Waar uitgeleend geld in je aangifte terechtkomt
Geld dat je via een P2P-platform aan leners hebt uitstaan, is voor de Belastingdienst geen bezit zoals een spaarrekening of een beleggingsfonds. Het valt onder de categorie “overige bezittingen”, specifiek als “overige vordering”: uitgeleend geld waarvoor jij op 1 januari recht hebt op terugbetaling. De waarde die je in box 3 opgeeft, is het totaal van je openstaande leningen op die peildatum, ongeacht of je dat jaar rente hebt ontvangen of niet. Een lening die net is afbetaald, telt dan niet meer mee; een lening die je net heeft verstrekt, wel.
Deze indeling is relevant omdat de Belastingdienst voor elke categorie bezittingen een ander forfaitair rendementspercentage gebruikt. Uitgeleend geld via P2P-platforms deelt die categorie met bijvoorbeeld een lening aan een familielid, maar niet met een spaarrekening: daarvoor geldt een ander percentage.
Heffingsvrij vermogen: wat buiten de berekening blijft
Je betaalt niet over je volledige vermogen belasting. Elke belastingplichtige heeft een heffingsvrij vermogen: het deel van je bezittingen minus schulden dat buiten de berekening blijft. Heb je geen fiscale partner, dan is dat bedrag € 59.357. Heb je een fiscale partner, dan geldt het dubbele bedrag, € 118.714, voor jullie samen. Pas het vermogen boven dat heffingsvrije deel wordt belast.
Voor wie alleen een beperkt bedrag in P2P-leningen heeft uitstaan, kan dat heffingsvrije vermogen betekenen dat er, afhankelijk van de rest van het vermogen, niets te belasten overblijft. Zodra je totale vermogen boven de drempel komt, telt elke euro P2P-vordering mee in de berekening van het belastbare deel.
Het forfaitaire rendement: hoe de Belastingdienst het rendement vaststelt
Box 3 belast niet het werkelijke rendement dat je op je leningen hebt gemaakt, maar een forfaitair, vooraf vastgesteld percentage per categorie bezittingen. Voor de categorie “overige bezittingen”, waaronder P2P-vorderingen vallen, geldt voor 2026 een forfaitair rendementspercentage van 6,00%. Dat percentage ligt voor dit jaar al vast en wordt niet, zoals de percentages voor banktegoeden en schulden, pas begin 2027 definitief vastgesteld.
Dat forfaitaire percentage ligt aanmerkelijk hoger dan het percentage dat voor banktegoeden geldt. Heb je dus een deel van je vermogen in P2P-leningen uitstaan en een deel op een spaarrekening, dan rekent de Belastingdienst over het P2P-deel met een hoger fictief rendement, los van wat je daadwerkelijk aan rente hebt ontvangen. Over het fictieve rendement in de categorie “overige bezittingen” betaal je vervolgens het box 3-tarief van 36% aan belasting.
Een uitzondering op de categorie “overige vordering” geldt voor een lening tussen fiscale partners onderling, of tussen een ouder en een minderjarig kind: die vorderingen vallen niet onder deze regel. Voor een lening aan een onafhankelijke lener via een P2P-platform geldt de uitzondering niet.
Schulden en de drempel
Heb je zelf geld geleend om te beleggen, of heb je andere schulden, dan mag je die aftrekken van je bezittingen voordat het forfaitaire rendement op schulden wordt berekend. Daarbij geldt een drempel van € 3.800 per persoon, of € 7.600 voor fiscale partners samen: alleen het bedrag aan schulden boven die drempel telt mee in de berekening. Voor de meeste P2P-beleggers die met eigen, niet-geleend geld inleggen, speelt dit onderdeel geen rol; het is wel relevant zodra je met geleend geld in leningen investeert.
Tegenbewijsregeling: wat als je werkelijke rendement lager is
Sinds de aangifte over 2025 kun je met het formulier “Opgaaf werkelijk rendement” aantonen dat je werkelijke rendement lager lag dan het forfaitaire rendement waarmee de Belastingdienst standaard rekent. Toon je dat aan, dan gaat de Belastingdienst uit van het bedrag dat voor jou het gunstigst is: het werkelijke rendement in plaats van het forfaitaire. Dit is relevant voor een P2P-belegger wiens leningen dat jaar te maken kregen met wanbetaling of afboekingen, waardoor het werkelijke rendement lager uitviel dan het forfaitaire percentage van de categorie “overige bezittingen” suggereert.
Deze tegenbewijsregeling is een correctiemogelijkheid, geen vrijstelling: zonder dat je zelf het formulier invult en onderbouwt, rekent de Belastingdienst standaard met het forfaitaire percentage. Een structurele herziening van box 3 naar een heffing over het werkelijke rendement staat gepland voor 1 januari 2028; tot die datum geldt het forfaitaire stelsel, met deze tegenbewijsregeling als uitzondering voor wie kan aantonen dat die rekenmethode in zijn geval te hoog uitpakt.
Wat dit betekent voor je eigen aangifte
Hoeveel belasting je uiteindelijk over je P2P-leningen betaalt, hangt af van je totale vermogen, of je een fiscale partner hebt, en van het saldo van je bezittingen en schulden op de peildatum. Het forfaitaire percentage voor “overige bezittingen” ligt vast voor je P2P-vorderingen, maar of je daadwerkelijk belasting betaalt en hoeveel, bepaalt pas de optelsom van je volledige vermogen boven het heffingsvrije deel. Wie twijfelt of de forfaitaire berekening in zijn situatie reëel is, kan de tegenbewijsregeling als vangnet gebruiken voor het jaar waarin het werkelijke rendement duidelijk achterbleef.
Vergelijk vergunde platforms